Oranje in Tanzania
Hoe zou het in godsnaam zijn om Koninginnedag te vieren op de Nederlandse ambassade in Tanzania? Deze vraag spookte al vanaf de bekendwording van de reisdata door mijn hoofd. Gesmolten tompoezen eten en lauwe oranjebitter drinken in de snikhete zon leek mij voor de hand liggend. Uiteraard wel erg kort door de bocht, maar het moet toch raar voelen met je oranje kleren rond te hossen terwijl de locals je raar aankijken.
Op de 30e van april was ik bijna vergeten dat het een speciale dag was. Als Ramōn niet zijn oranje vissershoedje op had gezet, had ik er niets van gemerkt. Als je zo ver van Nederland zit krijg je toch minder snel het Koninginnendag-gevoel. Waarschijnlijk omdat zogoed als niets in de omgeving je terug doet denken aan thuis. Afgezien van de mussen die door hebben gekregen dat het weer hier veel beter is. Geef ze eens ongelijk. Als je overal naartoe kunt vliegen, zou je dan werkelijk in Nederland blijven als vogel?
Het programma van de dag was het bezoeken van een aantal krantenredacties. Leuk om te zien dat er vrij weinig verschil in de manier van werken zit tussen de journalisten hier en thuis. Het enige wat echt opviel was de omvang van de redactie. Hier lijken ze veel meer klaar te spelen met veel minder man. Het kantoor van bijvoorbeeld de Telegraaf is een wolkenkrabber vergeleken met die van een Tanzaniaanse krant als de Guardian. Aan de andere kant valt over de kwaliteit te twisten. Regelmatig bestaat een alinea van de krant uit een enkele zin van pakweg veertig woorden en drie komma’s. Lekker leesbaar dus.
Nadat we klaar waren met de rondleiding moesten we even wachten op ons hobbelbusje. Op dat moment kregen we allemaal even een angstige flashback van Nederland. Uit het niets kwam een bak met water over ons heen waar je u tegen zegt. De straten (die eindelijk eens opgedroogd waren) stonden binnen vijftien minuten blank. “O ja, vandaag is het Koninginnendag”, schoot mij wederom te binnen. Helaas was deze wolkbreuk niet het slechtste nieuws van de dag.
Terug in bus kregen we namelijk een belletje van het thuisfront dat er een aanslag op de Oranjes was gepleegd. Klaar was het feest in Holland vanwege een of andere suicidale malloot in een Suzuki Swift. Voor ons was het de vraag of het feest bij de ambassadeur thuis nog door zou gaan. Na een tijdje kregen we te horen dat het toch doorging. Aangezien de bomaanslag van de dag ervoor geen reden was om het niet door te laten gaan, kon de ambassadeur moeilijk nee zeggen. The show must go on.
Zoals ik eerder zei ontbrak het typische gevoel van 30 april door de weinig herkenbare omgeving. Dit draaide 360 graden om bij de ambassadeur thuis. Kosten noch moeite waren gespaard om het terrein om te toveren tot een Nederlandse kolonie. Overal oranje lichtjes in de bomen, oranje ballonnen en natuurlijk een leger aan kaaskoppen. Onze Tanzaniaanse buddy’s vonden het prachtig. Er waren bitterballen, blokjes kaas, rookworsten en het belangrijkste: Nederlandse drank. Natuurlijk maakten wij als Nederlanders hier gretig gebruik van. Erg bizar om op zo’n gigantisch privéfeest te staan tussen alle Nederlanders. Het huis van de ambassadeur was namelijk twee keer groter dan de gemiddelde villa. In de tuin kon je een fatsoenlijke voetbalwedstrijd houden. Wat het nog aparter maakte, was dat in Nederland alle feestjes waren afgezegd. Toch kwam uiteindelijk het echte Oranjegevoel naar boven. Prachtig om te zien hoe al die Hollanders afdropen zodra de drank op was, inclusief onze groep.









Bizar. En op z’n Hollands afdruipen.